
Als ik mijn telefoon opneem, hoor ik hartgrondig gevloek,
en nog eens
en nog eens
en dan: “Joanne?”
“Ja, Corné?”
“Gerda is dood,” schreeuwt hij, “ze is dood.”
Daar bélden ze me gvd over… wat moet ik nou?”
“Ik kom,” zeg ik.
Het is al bijna morgen.
In de polder is maar één huis met licht.
“Bijzonder,” denk ik, “daar waar nu licht brandt hangt een diepe duisternis.”
Binnen ontredderde man,
twee doodstille kinderen,
ogen vol onbegrip – dood? dóód? wat betekent dat?
bang voor het verdriet van hun vader dat op woede lijkt.
“Ze is dood,” schreeuwt hij, “dood, wat moet ik doen?”
Laten we aan tafel gaan, laten we praten, vertel je verhaal.
Ik weet wat er gebeuren moet, dat kan straks –
maar nu eerst jij, je kinderen, kom – ga zitten en vertel.”