
Knarsend grind, ik bel ik aan…
Liever iets te vroeg, dan hoeft de familie niet te wachten.
Niet veel te vroeg, een beetje –
Het getik van mijn hakken is als het wegtikken van tijd…
’tiktak, tiktak, ik breng een onmogelijk gesprek,
tiktak, tiktak, tiktak.’
Vragende blikken in ogen van kinderen, kleinkinderen
een echtgenote die voor iedereen wil zorgen,
maar zo moe is,
er ligt een oude hond op het kleed.
Wat ongemakkelijk kennismaken is het,
een combinatie van gelatenheid, ongemak en gastvrijheid.
‘Zullen we naar Cees toegaan?’
vraagt iemand, want er moet toch iets gebeuren.
In een kamer met veel stoelen, foto’s, briefjes, kindertekeningen, klei- en knutselwerkjes een hoog bed.
‘Dag,’ zeg ik, ‘ik ben Joanne. Van uw vrouw begreep ik dat het niet goed met u gaat, dat u gaat sterven, maar dat we daar eerst nog even over moeten hebben. Niet over dat sterven, bedoel ik, maar over wat er daarna komt.’
Hij grinnikt en zegt: ‘Ja, ik wil graag over mijn graf heen regeren.’
‘Dát past ‘m,’ zegt een zoon in de hoek van de kamer .
‘Heeft u vragen voor ik ze u stel?’ vraag ik,
‘vindt u het goed als ik wat notities maak?’
Het wordt een bijzondere ontmoeting. Het afscheid staat gepland in de agenda maar vooral in de hoofden en harten van zijn vrouw, de kinderen.
Er is ineens een datum die voortaan anders zal zijn.
Een jaar dat genoemd zal blijven.
Maar nu is er tijd voor elkaar,
tijd om alles nog uit te spreken wat niet ongezegd mag blijven,
tijd om afscheid te nemen
en om alle waardevolle momenten samen te koesteren.
Als het gesprek is afgerond zakt hij terug in zijn kussens.
‘Ik zie u niet meer,’ zegt hij.
‘Ik wens u een goede reis,’ zeg ik.
Zijn vrouw loopt mee.
We nemen afscheid zonder veel tegen elkaar te zeggen.
Zoals er een spreken is dat stil maakt, zo is er een stilte die spreekt.